Auteur Archief: maaikevansomeren

Petitie Uitzettingsbeleid

Teken de petitie
op
www.vluchtelingenwerk.nl

februari 5, 2004
By on 19:54
Vreemd

ze zei
de slaapkamer is schoon
wij hebben goede bedden
en de kinderen hebben skates
gekregen

ze zei
de avonden zijn hier blauwer
en de geluiden anders
en de kinderen huilen meer
dan thuis

ze zei
de kinderen vragen zoveel
iedereen is zorgzaam
en het eten vreemd
voor ons

de tolk vertaalde
even aarzelde hij

toen ze zei
ik kan niet slapen

februari 4, 2004
By on 13:08
www.vluchtelingenwerk.nl

Wanhoop bij Cubaans-Syrisch gezin dat nergens heen kan

Moet de Cubaanse Malvis Martha Fernandez-Gomez met haar Syrische echtgenoot Mahmoud Ali El Osman en hun twee kinderen in het haar onbekende Syrië gaan wonen, waar haar man voor vijf jaar de gevangenis in zal gaan en vervolgens drie jaar in militaire dienst, of zal zij terugkeren naar haar moederland Cuba, haar man en jongste kind die daar niet welkom zijn, achterlatend.

Het gezin van Malvis Martha Fernandez-Gomez en Mahmoud Ali El Osman is ruim negen jaar in Nederland. Hun eerste kind is op Cuba geboren, het tweede kind hier in Nederland. Welke nationaliteit dat kind bezit, is onduidelijk. Het gezin is uitgeprocedeerd en moet Nederland verlaten. Maar waar kunnen zij heen?

Twintig jaar geleden verliet Mahmoud Ali El Osman, nu 42 jaar, om politieke redenen zijn geboorteland Syrië. Hij ging studeren op Cuba, alwaar hij zijn huidige vrouw Malvis Martha Fernandez-Gomez leerde kennen. Op weg naar Amerika strandden het echtpaar en hun eerste kind in 1994 in Nederland. Zij vroegen asiel aan, en raakten twee jaar later uitgeprocedeerd. Getracht werd hen uit te zetten naar Cuba. Het gezin werkte volledig mee aan hun terugkeer en verbleef zelfs enige tijd in Verwijdercentrum Ter Apel. De moeder en het oudste kind hebben een Cubaans paspoort. De Cubaanse ambassade wil de vader echter alleen een visum verstrekken als hij een Syrisch paspoort kan overhandigen. Dat kan hij niet omdat hij zijn land is ontvlucht. Voor het in Nederland geboren kind wil de ambassade al helemaal geen visum afgeven. Het gezin kon dus niet worden uitgezet naar Cuba en werd teruggeplaatst in de opvang.

Vier jaar later verzaakten moeder en haar kinderen de wekelijkse verplichting om te stempelen bij de Vreemdelingen Dienst. De reden -het jongste kind was door zijn voedselallergie ernstig ziek en werd opgenomen in het ziekenhuis- mocht niet baten. Zij werden MOB verklaard: met onbekende bestemming vertrokken. Sindsdien staat het gezin op straat. Zonder inkomen en zonder medische zorg. De ontreddering is compleet sinds twee jaar geleden bij de moeder borstkanker is geconstateerd. Hiervoor staat zij onder intensieve behandeling. Zij zal nog tenminste vijf jaar medicatie nodig hebben. Ook het jongste kind, inmiddels zes jaar oud, heeft medicijnen en speciale voeding nodig. Ze hebben geen idee hoe de kosten daarvan opgebracht moeten worden. Het bestaan op straat is eigenlijk niet meer vol te houden.

Naar Syrië dan? Voor de vader houdt terugkeer naar Syrië een behoorlijk risico in: hij is zijn land ontvlucht en de dienstplicht ontdoken. Hem staat vijf jaar gevangenisstraf en alsnog het uitdienen van de driejarige dienstplicht te wachten. De kans is dus groot dat de zieke moeder en de kinderen het jaren alleen zouden moeten rooien. Dit terwijl ze nog nooit in Syrië zijn geweest en volstrekt onbekend zijn met de daar heersende Islamitische cultuur. Maar als het gezin niet naar Cuba kan en niet in Nederland mag blijven, moeten ze die risico’s dan maar nemen? Echter, om naar Syrië te gaan moeten zij zich persoonlijk melden bij de Syrische ambassade in Brussel. Maar het illegaal in Nederland verblijvende gezin krijgt geen visum voor België.

Wanneer kan een gezin zich op een schrijnende situatie beroepen? In het hier geschetste geval -een volledig geïntegreerd gezin, al negen jaar in Nederland, kan onmogelijk als gezin terugkeren naar dan wel Cuba, dan wel Syrië, moeder en kind staan onder medische behandeling- blijkbaar niet. Hun aanvraag op grond van schrijnendheid is afgewezen.

Het Cubaans Syrische gezin bestaat uit:
- vader Mahmoud Ali El Osman, 42 jaar, Syrische nationaliteit
- moeder Malvis Martha Fernandez-Gomez, 41 jaar, Cubaanse nationaliteit, onder behandeling voor borstkanker
- 10-jarig kind, Cubaanse nationaliteit
- 6-jarig kind, nationaliteit niet duidelijk, leidt aan ernstige voedselallergie

februari 3, 2004
By on 21:34
Tot het bestaat

Noemen

Noem het met name
tegen de vragen
de nachten van bazalt
tegen de zemelen dagen
tegen de hoop die vervalt
tegen de mens die verhongert
tegen het licht dat vergaat
het blindelings blijven benoemen
het naamloze
tot het bestaat

Ellen Warmond in “De groeten aan andersdenkenden” 1970

In het late licht van een oktobermiddag zit ze tegenover me.
“Nu ben ik bijna negenentachtig”, zegt ze, “en nog steeds verandert het.
Je leert het als kind, thuis en op school.
En het is vanzelfsprekend. God bestaat.
Je wordt groter, hoort meer, ziet meer. En op een dag bestaat Hij niet meer. Of Zij. Of Het. Want waar hebben we het over?
Er kwam een dag waarop de vraag niet eens meer belangrijk voor me was. Het maakte me eigenlijk niet meer uit.
De dingen gingen zoals ze gingen. Zoals in het leven van de meeste mensen, denk ik.

Toch is het net alsof je ergens naar blijft zoeken. Vaag, maar toch.
Naar een richtlijn of zo. Of een richting. Zoiets zou er toch moeten zijn?
Ik trouwde, de kinderen werden geboren. En ik las eens ergens:
´God bestaat niet, maar laten we maar leven alsof Hij wel bestaat. Misschien gaan mensen dan toch anders met elkaar om.´
Dat vond ik mooi.
Misschien is het waar, dacht ik. Alhoewel, mensen slaan elkaar toch ook de hersens in over geloofsdingen. Vroeger. En nog steeds.
En wat ik me nou eigenlijk zou moeten voorstellen bij dat woord ´God´, ach dat wist ik ook niet. Maar ik probeerde het en mijn man ook en zo leerden we het onze kinderen.

We kwamen in het jappenkamp. Ik verloor er mijn man en de twee oudste kinderen. En ik werd troostmeisje. Ja, mooi woord hè?
Nee, sinds die jaren geloof ik het echt niet meer.
Ik heb te veel gezien. Te veel meegemaakt”.
Ze zwijgt even. Ze kijkt naar buiten, volgt een vogel met haar ogen.
“Ach, ik mis het en ik mis het niet.
Misschien wil je iets voor me zingen? Van vroeger?
´Wat de toekomst brengen moge´, dat vond ik mooi toen. En in een lied kan ik Hem nog wel verdragen.”

Ik zing.
En in de derde regel begint ze mee te zingen.
´Moedig sla ik dus de ogen
naar het onbekende land´.

Het is even stil daarna.
Dan zegt ze: “Weet je, ik leef maar met open handen. De tijd die ik nog heb. Veel is eruit gevallen. Zo heel nu en dan valt er iets in en blijft liggen. Dan is er een ogenblik meer dan er is. En dan denk ik: God bestaat niet, dat weet ik zeker. Maar soms ontstaat God.”

januari 21, 2004
By on 20:51
Spergebied

Langs het peillood van hun vragen
in een zinverloren zee
vallen twee matrozen mee
bang de verte na te jagen.

Buiten waait nog wat verlangen
door het duingras tot het haakt
aan weerspannig prikkeldraad
waar het wezenloos blijft hangen.

Hoor, hoe tinkelt nog naar later
het voorgoed bewogen water
rond een uitdovende maan.

Kijk,

januari 16, 2004
By on 12:34
<i>Een hoed op je hoofd</i>

Een dorp in droog rood zand. Twee straten, heuvelachtige paden, een bibliotheek, een witte kerk met een grote begraafplaats. En de zon, op dit uur niet meer zo hoog, nog wel heet.

Al sinds vanmorgen heel vroeg zijn we onderweg, van het noorden naar het zuiden.
Het was druk overal. Een wielerwedstrijd in Kaapstad deed mensen een paar dagen geleden vanuit het hele land, met fietsen op de auto, zuidwestwaarts trekken. Nu zijn ze onderweg terug naar huis en overal in de buurt van de doorgaande weg, zijn de hotels en pensions overvol.
Het is laat in de middag en we hebben zomaar een afslag genomen, weg van de drukte, op zoek naar een plek om te overnachten.

We rijden Philippolis binnen, Oranje Vrijstaat, Zuid-Afrika. Maart 2002.
Tot nu toe voor mij een plaats uit een boek. Hier is het.
Sontyd is Hy hoed op jou kop.
Innie nag hou Hy gevaarlikeit dop.*

Psalmregels in de Griekwa-taal zingen door mijn hoofd. Het is de taal van de mensen die hier wonen, van mensen van ooit en van nu.
De meeste mensen van het Griekwavolk zijn in de negentiende eeuw van hier weggetrokken, 500 kilometer naar het oosten, te voet en met ossenwagens, dwars door de Drakensbergen, gedwongen door politieke besluiten.
Een kleine groep mensen is achtergebleven omdat de reis te zwaar zou zijn. Hun kindskinderen wonen hier nog altijd.

In de zon is Hij een hoed op je hoofd.
Zo en niet anders kun je hier leven, ben je hier veilig.
Een verweggod is veel te ver.
Een hoed tegen de zon. Zo direkt, zo dichtbij.

We lopen door het dorp, mijn Zuid-Afrikaanse vrienden en ik.
We kijken verbaasd naar zomaar een stroompje glashelder water tussen de fijnbladige struiken langs het pad, staan stil bij een hagedis op een warme steen, klimmen op een heuvel om nog verder te kunnen kijken.
We hurken bij onbekende kleine bloemen, wit en paars en met een vreemdzoete geur die aan jasmijn doet denken. Een jongen die de snelheid van zijn oude brommer uitprobeert, stopt naast ons. Hij weet de naam van de bloemen, bobbejaanboek, en dat ze zeldzaam zijn. Hij lacht om onze verbazing over dat vreemde woord, vertelt over zijn brommer, vraagt wat we in zijn dorp komen doen. We stellen ons voor en hij lacht nog harder als ik probeer om zijn naam uit te spreken. Teveel medeklinkers achter elkaar.
Hij is een Griekwa en wijst ons aan waar hij woont. Zijn familie laat zich, geduldig en stralend, voor de deur van hun huis fotograferen en ik schrijf het adres op om later de foto te kunnen sturen.

In het late licht met langer wordende schaduwen lopen we door de straten, sommige met klinkers, andere van zand met hier en daar een plaat asfalt.
Ik ruik vreemde geuren, kruidig, en ik hoor vogelgeluiden als uit een volière.
Het is er stoffig, rustig, veelkleurig.
Er staan huizen en huisjes, er wordt gewerkt, kinderen spelen met rollende blikjes. De voormalige zandstenen gevangenis, “Die ou Tronk” is een pension geworden.
De politieman van het dorp, in uniform en met veel strepen, wijst ons de plek waar vroeger de galg stond. Hij verdient wat bij door het pension te beheren. De vijf cellen van twee bij drie meter zijn nu slaapkamers, hebben ijzeren bedden met dikke matrassen, ramen met tralies en vrolijke groengeblokte gordijntjes.
Er is een betonnen sanitairblok, een keukenruimte met een gigantische maar lege koelkast en een kamer die ingericht is als museum. Op de tafel een boek met oude foto’s van het dorp (de politieman wijst zichzelf aan, een schooljongen met een zacht gezicht en keurig gekamde haren), fleurige folders voor een komend afri-muziekfestival, blikken mokken en borden met een afbeelding van de gevangenis. En over de stoelen hangen T-shirts en schorten met hetzelfde plaatje.

Na de broodjes onderweg zijn we toe aan een maaltijd.
Er is een winkel waar ze fietsbanden verkopen en boter en kranten en babybadjes. En er staan een paar tafeltjes, we kunnen er eten.
De eigenaar zit achter de toonbank, kijkt naar rugby op een grote kleurentelevisie.
Naast hem ligt een krant, opengeslagen bij de uitslag van de Kaapse wielerwedstrijd. Zijn glas bier maakt een natte kring op de foto van de winnaar, Abram Zam Mthombothi. Hij ziet ons kijken, tikt met een vinger op de foto en zegt “Sien julle? Waar bly ons in hierdie land?”.
Zijn vrouw maakt tjops, lamskoteletten, voor ons klaar en skyfies en slaai. Indrukwekkende hartelijkheid tegenover de vreemdelingen die wij zijn. Ze geeft de man in ons gezelschap het grootste stuk vlees. Even later zien we haar echtgenoot bij de deur van de winkel een groepje zwarte kindertjes iets lekkers geven.
Ver weg ben ik thuis. Als toetje krijgen we koffie met koekjes.
Voor we vertrekken,denkend aan het betonnen blok in de tronk, ga ik naar het toilet. Op de deur hangt een bordje “Slegs vir blankes”.
Mijn hoofd mag niet meer, mijn ziel wil niet meer, mijn lijf moet.

Ik kom terug aan de tafel bij mijn vrienden.
Ik las het in de boeken van André Brink, ik hoorde het jullie zeggen, “hierdie land wat ek liefhet en haat”.

We kijken elkaar aan, raken elkaar even aan. We reizen samen.
Het is donkerder geworden, de straten lijken uitgestorven.
We lopen terug naar “Die ou Tronk”.
We zijn er de enige gasten. De politieman woont aan de overkant en draait als hij weggaat, met een grote sleutel uit zijn rammelende sleutelbos de poort op slot. “So is julle veilig”, zegt hij, “Lekker slaap”.

Innie nag hou Hy gevaarlikeit dop.

Als het helemaal donker geworden is, liggen we op onze rug op de stenen van de binnenplaats. kijkend naar de hemel. Zoveel sterren heb ik nog nooit gezien. En hoe langer we kijken, hoe meer het er worden. Er schuiven satellieten voorbij, er vallen sterren.
Als er een ster valt, mag je een wens doen.
Later in mijn cel zie ik namen en data gekrast in de muren: Abram Gwathyu, 20 januarie 1961, Malixole Mthombothi, 13 maart 1967. Achter de data woorden die ik niet ken.

De volgende dag reizen we verder. Colesberg, Richmond, Worcester.
Het is stiller in de auto.
Ek soek vir ‘n hoed op my kop.

*uit Psalm 121 in de Griekwavertaling van Hans du Plessis

januari 15, 2004
By on 14:17
Piëta

Vincent van Gogh – Piëta (naar Delacroix)
1889

Piëta

zwijgend schreeuwt ze rotsen open
bidt twijgen aan stronken
een kind uit de dood

ze waaiert om hem heen
in kleuren van water wil zee zijn en overkant
hij moet haar weten

onweerstaanbaar
huiswaarts
valt een engel

zijn ogen al verder ze volgt
zijn lichaam met haar lijf
haar handen te klein

hij schildert morgenlicht
geel en nog niet

november 21, 2003
By on 00:34