<i>Een hoed op je hoofd</i>
januari 15, 2004
Door op 14:17

Een dorp in droog rood zand. Twee straten, heuvelachtige paden, een bibliotheek, een witte kerk met een grote begraafplaats. En de zon, op dit uur niet meer zo hoog, nog wel heet.

Al sinds vanmorgen heel vroeg zijn we onderweg, van het noorden naar het zuiden.
Het was druk overal. Een wielerwedstrijd in Kaapstad deed mensen een paar dagen geleden vanuit het hele land, met fietsen op de auto, zuidwestwaarts trekken. Nu zijn ze onderweg terug naar huis en overal in de buurt van de doorgaande weg, zijn de hotels en pensions overvol.
Het is laat in de middag en we hebben zomaar een afslag genomen, weg van de drukte, op zoek naar een plek om te overnachten.

We rijden Philippolis binnen, Oranje Vrijstaat, Zuid-Afrika. Maart 2002.
Tot nu toe voor mij een plaats uit een boek. Hier is het.
Sontyd is Hy hoed op jou kop.
Innie nag hou Hy gevaarlikeit dop.*

Psalmregels in de Griekwa-taal zingen door mijn hoofd. Het is de taal van de mensen die hier wonen, van mensen van ooit en van nu.
De meeste mensen van het Griekwavolk zijn in de negentiende eeuw van hier weggetrokken, 500 kilometer naar het oosten, te voet en met ossenwagens, dwars door de Drakensbergen, gedwongen door politieke besluiten.
Een kleine groep mensen is achtergebleven omdat de reis te zwaar zou zijn. Hun kindskinderen wonen hier nog altijd.

In de zon is Hij een hoed op je hoofd.
Zo en niet anders kun je hier leven, ben je hier veilig.
Een verweggod is veel te ver.
Een hoed tegen de zon. Zo direkt, zo dichtbij.

We lopen door het dorp, mijn Zuid-Afrikaanse vrienden en ik.
We kijken verbaasd naar zomaar een stroompje glashelder water tussen de fijnbladige struiken langs het pad, staan stil bij een hagedis op een warme steen, klimmen op een heuvel om nog verder te kunnen kijken.
We hurken bij onbekende kleine bloemen, wit en paars en met een vreemdzoete geur die aan jasmijn doet denken. Een jongen die de snelheid van zijn oude brommer uitprobeert, stopt naast ons. Hij weet de naam van de bloemen, bobbejaanboek, en dat ze zeldzaam zijn. Hij lacht om onze verbazing over dat vreemde woord, vertelt over zijn brommer, vraagt wat we in zijn dorp komen doen. We stellen ons voor en hij lacht nog harder als ik probeer om zijn naam uit te spreken. Teveel medeklinkers achter elkaar.
Hij is een Griekwa en wijst ons aan waar hij woont. Zijn familie laat zich, geduldig en stralend, voor de deur van hun huis fotograferen en ik schrijf het adres op om later de foto te kunnen sturen.

In het late licht met langer wordende schaduwen lopen we door de straten, sommige met klinkers, andere van zand met hier en daar een plaat asfalt.
Ik ruik vreemde geuren, kruidig, en ik hoor vogelgeluiden als uit een volière.
Het is er stoffig, rustig, veelkleurig.
Er staan huizen en huisjes, er wordt gewerkt, kinderen spelen met rollende blikjes. De voormalige zandstenen gevangenis, “Die ou Tronk” is een pension geworden.
De politieman van het dorp, in uniform en met veel strepen, wijst ons de plek waar vroeger de galg stond. Hij verdient wat bij door het pension te beheren. De vijf cellen van twee bij drie meter zijn nu slaapkamers, hebben ijzeren bedden met dikke matrassen, ramen met tralies en vrolijke groengeblokte gordijntjes.
Er is een betonnen sanitairblok, een keukenruimte met een gigantische maar lege koelkast en een kamer die ingericht is als museum. Op de tafel een boek met oude foto’s van het dorp (de politieman wijst zichzelf aan, een schooljongen met een zacht gezicht en keurig gekamde haren), fleurige folders voor een komend afri-muziekfestival, blikken mokken en borden met een afbeelding van de gevangenis. En over de stoelen hangen T-shirts en schorten met hetzelfde plaatje.

Na de broodjes onderweg zijn we toe aan een maaltijd.
Er is een winkel waar ze fietsbanden verkopen en boter en kranten en babybadjes. En er staan een paar tafeltjes, we kunnen er eten.
De eigenaar zit achter de toonbank, kijkt naar rugby op een grote kleurentelevisie.
Naast hem ligt een krant, opengeslagen bij de uitslag van de Kaapse wielerwedstrijd. Zijn glas bier maakt een natte kring op de foto van de winnaar, Abram Zam Mthombothi. Hij ziet ons kijken, tikt met een vinger op de foto en zegt “Sien julle? Waar bly ons in hierdie land?”.
Zijn vrouw maakt tjops, lamskoteletten, voor ons klaar en skyfies en slaai. Indrukwekkende hartelijkheid tegenover de vreemdelingen die wij zijn. Ze geeft de man in ons gezelschap het grootste stuk vlees. Even later zien we haar echtgenoot bij de deur van de winkel een groepje zwarte kindertjes iets lekkers geven.
Ver weg ben ik thuis. Als toetje krijgen we koffie met koekjes.
Voor we vertrekken,denkend aan het betonnen blok in de tronk, ga ik naar het toilet. Op de deur hangt een bordje “Slegs vir blankes”.
Mijn hoofd mag niet meer, mijn ziel wil niet meer, mijn lijf moet.

Ik kom terug aan de tafel bij mijn vrienden.
Ik las het in de boeken van André Brink, ik hoorde het jullie zeggen, “hierdie land wat ek liefhet en haat”.

We kijken elkaar aan, raken elkaar even aan. We reizen samen.
Het is donkerder geworden, de straten lijken uitgestorven.
We lopen terug naar “Die ou Tronk”.
We zijn er de enige gasten. De politieman woont aan de overkant en draait als hij weggaat, met een grote sleutel uit zijn rammelende sleutelbos de poort op slot. “So is julle veilig”, zegt hij, “Lekker slaap”.

Innie nag hou Hy gevaarlikeit dop.

Als het helemaal donker geworden is, liggen we op onze rug op de stenen van de binnenplaats. kijkend naar de hemel. Zoveel sterren heb ik nog nooit gezien. En hoe langer we kijken, hoe meer het er worden. Er schuiven satellieten voorbij, er vallen sterren.
Als er een ster valt, mag je een wens doen.
Later in mijn cel zie ik namen en data gekrast in de muren: Abram Gwathyu, 20 januarie 1961, Malixole Mthombothi, 13 maart 1967. Achter de data woorden die ik niet ken.

De volgende dag reizen we verder. Colesberg, Richmond, Worcester.
Het is stiller in de auto.
Ek soek vir ‘n hoed op my kop.

*uit Psalm 121 in de Griekwavertaling van Hans du Plessis

0 reacties op <i>Een hoed op je hoofd</i>

  1. Hallo,
    ik was opzoek naar de teksten van de griekwa psalms, en kwam af op je dagboek, en bezoek aan Phillipolis – waar wij in dec/jan2002 overnacht hebben! wat een onwereldlijke stilte was het, wat een rust.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>